logo

Didactisch

 

 Kijken, denken, doen

Naamloos

In alle praktijklessen wordt de student voortdurend uitgenodigd om te kijken, te observeren, en die observaties in woorden om te zetten. Het principe indachtig dat het benoemen de eerste stap is in het begrijpen. En dat begrijpen de voorwaarde is om het geobserveerde of een idee te kunnen hanteren en gebruiken. De volgende stap is dan het uitproberen, het concretiseren van wat voorheen nog alleen idee was. Kortom: een voorstel doen ‘op de vloer’. Dat is op zijn beurt dan weer een nieuwe aanleiding tot kijken, denken en doen. Om zo uiteindelijk tot een voorstelling te komen.

 

Doen en benoemen

De opleiding kiest ervoor om te kijken/ervaren, te denken en te doen, te observeren, te benoemen en te concretiseren. Studenten leren door te doen en door te benoemen wat zij doen. Het een spoort samen met het ander.

 

Intuïtie en ratio

De opleiding vindt in het balanceren op het snijvlak tussen ratio en intuïtie de rijkdom die de hedendaagse artiest nodig heeft om in zijn eigen artistieke praktijk te slagen. Ratio en intuïtie convergeren in de artistieke daad.

 

Van collectief naar individueel, van breed naar specifiek

Het accent doorheen de opleidingsfasen verschuift van een methodische training naar een autonoom en persoonlijk traject, van een intensieve begeleiding en een grondige theoretische en technische onderbouw, naar een eigen artistieke signatuur. In de eerste twee jaren leggen we methodisch en systematisch, grondig en geleidelijk een stevige gemeenschappelijke basis. De werk- en leervormen zijn voornamelijk collectief, al krijgt de student ook de kans in open atelierweken in alle vrijheid te experimenteren, spelen en maken, vanuit eigen goesting en verlangens. Om zo dichter te komen bij het soort werk en de manier van werken die zijn artistieke traject kunnen schragen.
In 3BA gebruiken we die basis als springplank, en wagen we een artistieke kwantumsprong op gebied van maken. Vanaf 3BA stuurt de student, zowel op het artistieke als het theoretische vlak, mee zijn eigen vorming. De student kiest OPO’s uit een keuzepakket (Specifieke vorming), en meer en meer worden de lessen georganiseerd in de vorm van individuele leergesprekken. Een docent speelt in op de zich ontwikkelende praktijk en de verwachtingen van de individuele student.

In het Masterjaar werkt de student zelfstandig. De ‘schoolfase’ is voorbij, al biedt de opleiding nog verdiepende masterclasses aan. De docent wordt meer een adviseur en begeleider en de student krijgt aanzienlijk meer verantwoordelijkheid voor zijn artistieke project, in het werkveld (stages, eigen creaties) en in de opleiding (masterproef). Tegelijk zorgt het team van docenten ervoor dat de masterstudenten elkaar blijven ontmoeten, bevragen en inspireren. Aan het eind verzorgen zij samen een collectief artistiek statement.

 

 

 

 

Bewaren


Print pagePDF page