logo

4. Programma

4. Programma

4.1. Algemeen

Het programma van de opleiding Drama is onderverdeeld in verschillende pijlers, die het curriculum structuur en samenhang geven. Deze zijn afgestemd op de leerlijnen van de opleiding. Per opleidingsfase verandert het gewicht (uitgedrukt in SP) van de pijlers.

In 1BA en 2BA onderscheiden we de volgende pijlers:

  • Artistieke praktijk (Spelen en Maken),
  • Praktijkondersteuning (Stem en Lichaam)
  • Theorie (en Analyse)
  • Onderzoek (en Reflectie)

Vanaf 3BA worden Spelen en Maken samengevoegd, wordt de Bachelor- of Masterproef een aparte pijler, en wordt de nieuwe pijler Specifieke vorming geïmplementeerd. De pijler Theorie en Analyse wordt in het Masterjaar geïntegreerd in Onderzoek (en Reflectie).

Het accent doorheen de opleidingsfasen verschuift van een methodische training naar een autonoom en persoonlijk traject, van een intensieve begeleiding en een grondige theoretische en technische onderbouw, naar een eigen artistieke signatuur. Het aandeel contacturen in de totale studielast daalt daarbij gradueel. In de eerste twee jaren leggen we methodisch en systematisch, grondig en geleidelijk een stevige gemeenschappelijke basis. De werk- en leervormen zijn voornamelijk collectief. In 3BA gebruiken we die basis als springplank, en wagen we een artistieke kwantumsprong op gebied van maken. Vanaf 3BA stuur je, zowel op het artistieke als het theoretische vlak, mee je eigen vorming. Je kiest OPO’s uit een keuzepakket (Specifieke vorming), en meer en meer worden de lessen georganiseerd in de vorm van individuele leergesprekken. Een docent speelt in op de zich ontwikkelende praktijk en de verwachtingen van jou als individuele speler/maker .

In het Masterjaar werk je zelfstandig, zoals blijkt uit de verhouding van het aantal contacturen tegenover de totale studielast. De ‘schoolfase’ is voorbij. De docent wordt meer een adviseur en begeleider van het proces of van het artistieke product. Je krijgt aanzienlijk meer verantwoordelijkheid voor het artistieke project.

In de Bachelor en Master wordt het volledige programma afgecheckt aan de drie-eenheid Vorm/Biografie/Standpunt (VBS). In 1BA en 2BA formuleert de opleiding voorstellen van wat zij als vormkeuzes voor ogen heeft, als standpunt voorstaat of idealiter als biografie ziet. Je wordt uitgenodigd om je daarbinnen te verhouden. In 3BA verschuift het zwaartepunt van algemene codes naar persoonlijke codes. Je maakt je eigen keuzes qua VBS. In de Master probeer je een heel eigen code op te zetten. Je bepaalt zelf wat voor jou de norm is, en gaat verbanden aan met coaches van buiten de opleiding, die je aanreiken wat je nodig hebt. De opleiding faciliteert, is klankbord, en steunt waar nodig.

De Verkorte Bachelor in Drama werd opgezet voor studenten die instromen met een reeds eerder behaald academisch Bachelor- of Masterdiploma. De bedoeling is dat je via een verkort traject van twee i.p.v. drie studiejaren jouw Bachelordiploma behaalt.

 .

4.2. Leerlijnen

Het programma van onze opleiding wordt ondergebracht in zes concrete leerlijnen, die zowel door de Bacheloropleiding als de Masteropleiding stromen. De OLR van de opleiding worden ook ondergebracht in deze leerlijnen:

  • Spelen 

  • Maken 

  • Stem en Lichaam 

  • Theorie en Analyseren
  • Onderzoeken en Kritisch Reflecteren 

  • Ondernemen 


Alle OPO’s in het programma zijn gerelateerd aan een leerlijn. De leerlijnen zorgen voor helderheid in de doelstellingen van het studietraject, en maken de samenhang over de opleidingsfasen heen zichtbaar. De OPO’s volgen mekaar op in een logische volgorde, zodat de doelstellingen aan het einde van de leerlijn worden behaald.

Spelen: Je ontwikkelt je als speler. De opleiding wil technisch goed getrainde spelers afleveren, die door een onderzoekende houding een eigen artistieke signatuur ontwikkelen. De nadruk in deze leerlijn ligt op het interpreteren van tekst en op betekenisoverdracht.

Maken: Je ontwikkelt zich als maker. Je zal door een onderzoekende houding een eigen artistieke taal ontwikkelen die zich bevindt in het spanningsveld tussen ratio en intuïtie en balanceert tussen vorm, standpunt en biografie. Je leert in deze leerlijn artistieke projecten opzetten, met de nadruk op de creatie van tekst (in de brede zin van het woord) en betekenisoverdracht.

Stem en Lichaam: Je ontwikkelt je ‘instrument’. Door techniek en ambacht te verwerven, leer je je bewust worden van je stem en lichaam en van de ruimte, in functie van het creatieve werk. De focus ligt hier op het overdragen van betekenis naar de scenische praktijk.

Theorie en Analyse: Enerzijds verrijk je je algemene kennis en analysevaardigheden, anderzijds verwerf je inzicht in de rol en betekenis van theater in de ruime context. De OPO’s van deze leerlijn creëren een algemeen en inspirerend filosofisch- maatschappelijk kader voor de leerlijn Spelen en Maken, bieden de nodige bagage, en stellen tekst en taal centraal.

Onderzoeken en kritisch Reflecteren: Je ontwikkelt een onderzoekende houding, onderbouwd met de nodige vaardigheden. Er wordt aandacht besteed aan alle stappen van een artistiek onderzoek. Als eerste stap ziet de opleiding het kritisch reflecteren, het vragen stellen, het zich verwonderen over de artistieke praktijk, maar ook over de context. Als tweede stap worden de nodige vaardigheden inzake onderzoeken aangeleerd, zodat de student aan het einde van de rit een autonoom onderzoek kan voeren en hierover een onderbouwd en methodisch discours kan opzetten.

Ondernemen: Je wordt klaargestoomd voor het werkveld. Het volstaat niet om als speler/maker louter spel- en maakvaardigheden te ontwikkelen. Je maakt hier kennis met het organisatorische luik van de kunstensector. Door technische, zakelijke en productionele kennis en praktijkervaring op te doen, beëindig je deze leerlijn met de nodige autonomie en zelfredzaamheid. Ook mondeling en schriftelijk communiceren over het eigen project en concept met verschillende soorten publiek is een doelstelling.

 .

4.3. Modulaire werking

De opleiding is voor de praktijkopleidingsonderdelen georganiseerd in op elkaar voortbouwende en/of aanvullende modules. In periodes van 4 tot 10 weken train je afgebakende praktijkvaardigheden onder intensieve begeleiding van één of meer docenten. Aan het eind van elke module is er een toonmoment met evaluatie (cf. Toetsing). Deze modulewerking geeft je de kans om een intensieve werkperiode door te maken met een bepaalde docent en met bepaald materiaal, die af te sluiten met toonmomenten en evaluatie om nadien opnieuw te beginnen: met nieuw materiaal en met een andere docent. Er is met andere woorden een organische spanningsopbouw (het repetitieproces), met climax (de toonmomenten) en ontknoping (de feedback), waarna het even ontspannen en resetten is (expositie) vooraleer de nieuwe docent met zijn nieuwe doelstellingen en materiaal een nieuw spannend verhaal op gang trekt. Deze modulaire manier van werken bereid je goed voor op de situatie in het werkveld, waar even projectmatig wordt gewerkt.

 .

4.4. Weekschema

In de eerste twee Bachelorjaren vertaalt het evenwicht tussen Theorie, Onderzoek, Artistieke praktijk en Praktijkondersteuning zich in een vast weekschema. De pijlers wisselen mekaar volgens een vaste dagstructuur af: één dagdeel theoretische vorming, onderzoek en praktijkondersteuning, en één dagdeel praktijk (in modulewerking). In 1BA worden de theoretische en praktijkondersteunende OPO’s gedoceerd in de voormiddagen, en vindt de modulaire praktijkwerking in de namiddag plaats. In 2BA is dit omgekeerd. Dit alternerende systeem is voornamelijk opgezet om de theaterzaal en de andere praktijkruimtes optimaal te benutten. Het aantal contacturen zijn voor praktijk en theorie /onderzoek / praktijkondersteuning gelijk verdeeld.

Woensdagen vormen een scharniermoment in dit vaste schema. Dan wordt er een dag lang aan training gedaan, buiten de modulaire werking: tekst- en speltraining, stem- en lichaamstraining. Deze training loopt jaaroverschrijdend en verloopt volledig los van de praktijkmodules.

De vaste weekstructuur verdwijnt vanaf 3BA. Je wordt geacht autonomer te repeteren, studeren,… De balans verschuift, en praktijk krijgt een groter aandeel in het weekschema. Theorie, Onderzoek en Praktijkondersteuning worden hier aangeboden op maandag en dinsdag. De rest van de week wordt gevrijwaard voor de Artistieke praktijk. Deze structuur komt overeen met het programma van sommige andere opleidingen binnen LUCA, zodat multicampussamenwerking mogelijk is.

In het Masterjaar wordt er niet gewerkt met een vast weekschema. Praktijk staat hier volledig centraal. De theoretisch-onderzoeksgerichte en praktijkondersteunende vorming wordt hier individueel aangeboden. De OPO’s zoals Persoonlijke dramaturgie en Drama en Psyche staan volledig in functie van de Masterproef en bestaan uit individuele gesprekken student-docent. De afspraken verlopen volgens de individuele agenda’s.

 .

4.5. Individueel parcours

Je stippelt in 3BA en MA een keuzetraject uit. Je kiest daarbij uit een gestructureerd aanbod van KU Leuven en LUCA-vakken (bv. Cultuursociologie, Lessen voor de 21ste eeuw, ,...voorbeelden van keuzevakken aub) die in het curriculum onder Specifieke Vorming worden aangeboden. Je stelt een pakket van tien SP samen. De opleiding geeft aan hoe ambitieus je mag/moet zijn bij het opbouwen van dit eigen parcours. De integratie van specifieke keuzevakken die we zelf aanbieden in het curriculum (bv. Semiotiek van het geluid, Semiotiek van de beeldende kunst) heeft tot doel de kennis van en vertrouwdheid met andere kunstdisciplines te vergroten zodat een interactie mogelijk wordt.


Print pagePDF page