logo

5. Leerlijnen in het curriculum

5. Leerlijnen in het curriculum

5.1. Spelen en Maken

Bij aanvang van de Bachelor leer je vooral spelen. Valt wat je doet als speler eerst nog samen met wie je bent, dan word je nadien stelselmatig uitgenodigd om meer afstand te nemen. Je beschouwt daarbij het eigen product en leert wat de gevolgen zijn van jouw keuzes.

Vertrekkende vanuit inhoud, kan je het spelen vanuit twee opvattingen benaderen:

  • Je verbindt je persoonlijk met de inhoud van de tekst en werkt van binnen naar buiten. Je rekent erop dat het menselijke van het eigen ik ook als dusdanig herkend wordt door het publiek. Er ontstaat een emotionele, intuïtieve overdracht.
  • Je focust je op de betekenis die je genereert bij de toeschouwer. Je verbindt de inhoud met vormkeuzes die de betekenisoverdracht tot stand moeten brengen. Er ontstaat een meer rationele overdracht, die voor de speler eerder van buiten naar binnen

In onze opleiding willen we ons inschrijven in het spanningsveld tussen deze twee visies. Wij willen betekenis genereren, gedragen vanuit een persoonlijke betrokkenheid, een mening, en met een bepaalde stijl. Wij willen afstand kunnen nemen of er middenin kunnen staan.

In 1BA en 2BA ligt de focus op spelen, maar je wordt wel al ingewijd in het maken: je hebt bij elke module de verantwoordelijkheid om zelf keuzes te maken, apart of als groep, op gebied van enscenering, decor, kostuum, licht, geluid, muziek,… Het is vooral in 3BA dat het maken, in aanloop naar de Bachelorproef, de volle aandacht krijgt.

Ook maken kan je vanuit twee opvattingen benaderen:

  • Je werkt van binnen naar buiten, vanuit je persoonlijke drijfveren en bagage. Je verhoudt je vanuit jouw standpunt tot de tekst, tot de wereld en geeft dat standpunt vorm. Je plooit het materiaal naar jou toe.
    Je vertrekt vanuit de tekst, of een ander gegeven dat buiten jou ligt. Je zoekt aanknopingspunten qua stijl en inhoud die je verbindt met vormkeuzes die de betekenisoverdracht tot stand moeten brengen. Je plooit jezelf naar het materiaal toe.


5.1.1. Modules aan de hand van vijf codes

We onderscheiden in het programma vier spel- en maakcodes die doorheen de modules worden doorlopen: de realistische, de klassieke, de fysieke, de hedendaagse / postmoderne en de vrije / onderzoekscode:

Realistische code (1BA): Je werkt aanvankelijk met zeer realistisch tekstmateriaal (bv. Norén, Tsjechow). Je leert tekst begrijpen, interpreteren en incorporeren. Je probeert je de tekst eigen te maken en de afstand tussen jou en de tekst te verkleinen. Je investeert jezelf. Om dat te kunnen, staat het ontwikkelen van spelvaardigheden centraal. Via het leren maken van spelkeuzes komen we tot een theatrale en scenische vertaling. De OPO’s binnen deze code zijn: Scènes en Monologen I, Scènes en Monologen II, Grote productie I en Eindmodule I.

Naast het spelen wordt in Grote Productie I ook het maken geïntroduceerd. Je neemt standpunt in. Maakt de vertaalslag tussen speler en maker. Je leert proza omzetten naar theater, tot scènes en dialogen, en ensceneert een scène met jezelf en medestudenten. Je maakt vormkeuzes in schriftuur, enscenering en vormgeving, en beseft vervolgens de impact hiervan op het spelen.

Klassieke code (2BA): Je leert omgaan met klassiek tekstmateriaal (bv. Shakespeare) en met personages die jouw eigen privé en het dagdagelijkse ver overstijgen. Ze zijn bigger than life. Ook de taaldrempel die dient overwonnen te worden, vergroot de afstand en de te overbruggen abstractie. De OPO’s binnen deze code zijn: Scènes en Monologen III en Grote productie II.

In Grote productie II wordt er gewerkt aan mogelijke ensceneringen vanuit het OPO Scenografie. Je ontwikkelt een persoonlijke visie als regisseur van het stuk, en zet jouw inhoudelijke concept om naar beelden. In eerste instantie door zich te laten inspireren door beeldende kunst, fotografie, architectuur,… Daarna gaat het concept zich verfijnen tot er een interessant, multi-functioneel decorontwerp staat. Dit wordt door jou verdedigd aan de hand van een maquette en een goed voorbereid discours.

Als eerste scharnier tussen klassiek en postmodern putten we in 2BA uit het complete oeuvre van Bertolt Brecht. (Eindmodule II) Samen met de abstrahering komen het reflectieve en de persoonlijke interpretatie centraal te staan. Je komt met voorstellen, presenteert eigen keuzes. Het spelen maakt zich meer los van bestaande tekst. Je bewerkt zelf teksten en zet het lichaam in. Daarnaast werk je aan het begrip ‘koor’ en aan muzikale interpretaties. (Zang)

Een tweede scharnier is de fysieke code: Tussen al het tekstuele geweld worden hier fysieke speelstijlen onderzocht zoals die van Kantor, Grotowski of Butoh. Je vertrekt vanuit lichamelijkheid, vormelijkheid, muzikaliteit, beweging of grotesken. Je speelt in op wat de directe omgeving biedt aan impulsen, aan decor of kleding. De fysieke input, het spelen van buiten naar binnen, werkt veelal erg bevrijdend en geeft een boost aan het verdere verloop.

Hedendaagse/postmoderne code (3BA): Alle aandacht gaat hier naar de betekenisoverdracht naar het publiek, en het innemen van een standpunt, aan de hand van actueel, vaak postmodern, tekstmateriaal. De abstractie, afstand wordt zo mogelijk nog groter. Men staat naast of buiten zijn personage. De rol van speler/maker wordt diffuus. Het lopende onderzoeksproject bepaalt mee de tekstkeuze. Je werkt in groep en genereert de beelden, en bepaalt hoe de voorstelling er gaat uitzien. Er is meer reflectie over het eigen product en de gevolgen van de gemaakte keuzes. Hierbij wordt het denkkader Vorm/Biografie/Standpunt ten volle ingezet. OPO’s: Grote Productie III.

Vrije code/Onderzoekscode: Vanaf 3BA komt het maken centraal te staan. Je wordt de motor van jouw eigen projecten, neemt initiatief en maakt keuzes. Je leert naar de uitwerking van je concepten kijken met de blik van een toeschouwer en de knowhow van een speler. Je start je artistiek onderzoek op dat zal resulteren in de Bachelorproef. Op basis van een zelfgekozen thematiek ontwikkel je tekstmateriaal (Schrijven) dat resulteert in Maakstuk: een kort stuk, een schets, alleen of met medestudenten samen. Naast een inhoudelijk onderzoek, is dit ook een onderzoek qua code, speelstijl en enscenering, een voorstudie als aanloop naar de Bachelorproef.

In het OPO Film ontdek je de artistieke discipline film. Je schrijft een filmscenario, vertrekkende vanuit een persoonlijk thema of een onderzoeksthema. Je gaat onder begeleiding jouw eigen scenario verfilmen, in samenwerking met medestudenten, met alumni als acteurs en met o.m. filmstudenten als crew. Ten slotte ben je mede verantwoordelijk voor de beeld- en geluidsmontage en lever je een afgewerkt filmisch product af.

Bachelorproef (3BA): De leerlijnen Spelen en Maken eindigen in de Bachelor met de Bachelorproef.

 .

5.1.2. Wekelijkse Training

Bovenop de codes onderzoekt en train je wekelijks algemene spel- en tekstvaardigheden in de OPO’s Speltraining en Teksttraining. In de collectieve lessen Speltraining word je aan de hand van Method-acting en improvisatie opgevolgd in je vorderingen als speler, en wordt er ingegaan op individuele problemen of vragen die vanuit de modules komen.

In Teksttraining leer je een literaire tekst eerst analyseren en uiteindelijk vertolken. Met oog voor zowel de kleinste betekenisoverdrager (de klankwerking, handeling) als de grootste factor van tekstcohesie (de zinsstructuur). In dit opleidingsonderdeel wordt het samengaan van analyse en overdracht expliciet geoefend en wordt zo de brug geslagen tussen de pijlers Theorie (en Onderzoek), Praktijkondersteuning en Artistieke praktijk.

 .

5.1.3. Conceptontwikkeling

In het OPO Conceptontwikkeling (1 en 2BA) moet je een persoonlijk artistiek onderzoek voeren en een output creëren in een medium naar keuze. Je moet je eigen concept, je keuzes qua materialen en opstelling enzovoort, formuleren en verdedigen. In 1BA maak je kennis met de principes VBS, kwaliteit, kunstenaarschap,…. Je leert dat de wereld een bron van inspiratie is en leert als dusdanig kijken. Je bezoekt tentoonstellingen en leert van anderen hoe thema’s worden opgepikt en worden vertaald naar kunst. Je leert het verband leggen tussen biografie en werk en stelt je eigen creatie voor.

In 2BA onderzoek je je eigen wereld, je eigen beeltenis. Je leert hoe kunstenaars zichzelf of anderen portretteren en gaat dat dan ook zelf doen. Je leert dat je zelf een bron van inspiratie bent en gaat jezelf als dusdanig observeren.

 .

5.1.4. Masterjaar

In het Masterjaar lopen de leerlijnen Spelen en Maken volledig samen. De OPO’s Artistieke stage, Artistieke Masterproef en Collectieve productie zijn modules waarin je zelfstandig werkt, als maker én als speler.

Het OPO Artistieke stage biedt je de kans om ervaring op te doen in het werkveld. Je wordt gestimuleerd om jouw keuze voor een stageplaats te laten aansluiten bij je eigen artistieke ontwikkeling. Door in een professioneel kader als speler (of maker) aan de slag te gaan, leert je een netwerk uitbouwen, een relevante bijdrage in het maakproces te leveren, te reflecteren over je eigen aandeel, samen te werken met collega’s en je communicatievaardigheden aan te scherpen.

Als feestelijke afsluiter van het Masterjaar opereren jij en je medestudenten tijdens het festival Vermaak na arbeid in OPEK een laatste keer als spelerscollectief. Het OPO Collectieve productie wordt begeleid door externe coaches die voeling hebben met het werken als collectief. (Dit academiejaar Lazarus, vorig academiejaar de Roovers, volgend jaar Tristero).

 .

5.3. Stem en Lichaam

Binnen de leerlijn Stem en Lichaam gaan het verwerven van techniek en ambacht en het werken aan bewustwording hand in hand. Er wordt gezocht naar een balans tussen controle en vrijheid van expressie. Vanaf 1BA zijn techniek en bewustwording gericht op betekenisoverdracht voor de scenische praktijk, met een evolutie naar groeiende autonomie in 3BA. Het schriftelijk of mondeling verwoorden van eigen auditieve en sensitieve ervaringen of bewegingservaringen scherpt het bewustzijn in stem en lichaam aan. Op die manier houdt het al doende leren voor jou als student ook experiment en onderzoek in.

De leerlijn Stem en Lichaam valt uiteen in twee grote delen: het eerste deel vindt plaats in 1BA en 2BA, met name in de OPO’s Stem en spreken, Dictie, Beweging en semiotiek van het lichaam, Semiotiek van de ruimte en Zang. (In stemtraining wordt gewerkt vanuit de Linklaterpedagogie. In lichaamstraining met o.m. Laban en Alexandertechnieken.)
Het ‘al doende’ leren en verwerven staat centraal, onder de intensieve begeleiding van de docent. Via een proces van trainen en oefenen ontwikkel je de nodige technische vaardigheden in stem, spreken, zingen en bewegen. Je krijgt ook opdrachten mee ter voorbereiding, als zelfstudie, ter herhaling. Zo kan je groeien in de beheersing van jouw technische ambacht en je bewust worden van eigen stem- en lichaamsgebonden aspecten. Dit zet je in in de praktijkmodules. Je ontwikkelt respect voor het skeletmechanisme, de mogelijkheid om overbodige spanning los te laten, bewustzijn van het instrument, een natuurlijke manier van bewegen in improvisatie, compositie en spel, een vrije spreekstem met aandacht voor correct Nederlands én een grotere zangstemtessituur met gevoel voor ritme, maat, melodie en samenklank. De ‘alors on danse’-sessies die tweewekelijks worden georganiseerd, onderhouden mee je fysieke conditie, en helpen je tevens jouw lichaam vrijer in te zetten. (Studenten bewegen vrij op muziek naar hun keuze. Deze sessies vallen buiten het curriculum, en werden op aanvraag van de studenten georganiseerd.)

Gaandeweg verwerf je ook een grotere uitdrukkingsvrijheid voor je eigen biografie. Dit train je zowel in de OPO’s van de pijler Stem en Lichaam als daarbuiten, in de spelmodules. Zo train je in 2BA voor het OPO Zang de zangstem binnen een muziektheatervoorstelling (Eindmodule II).

Er wordt voor Stem en Lichaam collectief gewerkt om de noodzakelijke interactie te garanderen. Anderzijds is er binnen dit collectieve gebeuren voldoende ruimte voor individualisering, i.f.v. jouw specifieke technische werkpunten, de ontwikkeling van eigenheid en bewustzijn van stem en lichaam en de vrije en organische expressie. Zo wordt het OPO Dictie individueel gedoceerd om je eventuele specifieke uitspraakmoeilijkheden efficiënt aan te pakken. Buiten het curriculum wordt individuele logopedische begeleiding aangeboden aan studenten van 1BA en 2BA met stem- of spreektechnische moeilijkheden die meer dan de in het curriculum voorziene tijd en aandacht vragen.

Het tweede deel binnen de leerlijn Stem en Lichaam begint in 3BA en wordt doorgetrokken in het Masterjaar. Het accent verschuift hier steeds meer naar het toepassen van de verworven technische vaardigheden (het ambacht) voor de betekenisoverdracht. De docent coacht je en geeft advies over hoe en welke verworven tools je kan inzetten voor een optimale betekenisoverdracht. In het curriculum is deze coachende werkvorm vertaald in drie OPO’s van Specifieke Vorming.

 .

5.4. Theorie en Analyseren

Vertrekpunt voor de uitbouw van de leerlijn Theorie en Analyse in de Bachelor- en Masteropleiding is dat de theorievakken een algemeen en filosofisch-maatschappelijk kader uittekenen voor jouw theaterpraktijk: de geschiedenis en actuele contextualisering ervan, en de reflectie erover. Gezien de focus van de opleiding op tekst, staat daarbij kennis van het basisrepertoire centraal. Meer specifiek zetten we in op inzicht in en analyse van belangrijke teksten, personages, ideeën en wereldbeelden. De Bachelorstudent kan zo zijn biografie verrijken, en de thematiek en bagage verbreden die hij nodig zal hebben om te spelen en te maken. De meeste van deze kennisgerichte opleidingsonderdelen hanteren een werkvorm die het midden houdt tussen hoorcollege en seminarie. Het beperkte aantal studenten faciliteert dat én verlaagt de drempel voor een kritische en coöperatieve inbreng van de studenten.

De focus van de opleiding op tekst brengt ook met zich mee dat je als Bachelorstudent moet beschikken over de nodige vaardigheden inzake taal en tekst om een betekenisoverdracht tot stand te brengen. In Tekstanalyse, Dramaturgie 1 en 2 worden analysevaardigheid én interpretatievaardigheid aangebracht en getraind. We willen immers bewerkstelligen dat je zelf de tekens van een theatertekst en – voorstelling kan opmerken, begrijpen, analyseren en interpreteren zodat je die naar de eigen praktijk kan vertalen. De grammaticaal-syntactische component van tekst wordt onder de loep genomen in het opleidingsonderdeel Taalbeheersing.

De opleidingsonderdelen van deze leerlijn volgen voornamelijk een autonoom parcours: sommige werken diachronisch (repertoire- en literatuurgeschiedenis). Een vak als Dramaturgie hanteert een meer synchrone aanpak door in 1BA in te zetten op de overdracht van een dramaturgisch vocabularium en in 2BA via recente tijdschriftartikels de stand van de podiumkunsten te omsingelen in het ruime kader van de kunstenpraktijk en de actuele maatschappelijke context.

Theorielessen stemmen zich echter ook geregeld af op de praktijkmodules. Bij elke praktijkmodule is een theoriedocent betrokken. Op die manier creëren we een sterke horizontale leerlijn. De brug- en bemiddelingsfunctie tussen theorie en praktijk wordt bij uitstek gerealiseerd in Dramaturgie 1 en 2. Dit OPO wordt in 1 en 2BA collectief georganiseerd, en vanaf 3BA individueel.

In de OPO’s Repertoire en Literatuurgeschiedenis en Tekstanalyse wordt aandacht geschonken aan andere artistieke disciplines, zodat je verder leert kijken dan de podiumkunsten. Zo kom je in contact met poëzie, proza, film etc.

In de Masteropleiding worden geen collectieve theoretische vakken meer aangeboden binnen de eigen opleiding. Meer nog dan in 3BA moet de Masterstudent via een eigen keuzepakket op een autonome wijze zijn eigen interesses exploreren en zijn theoretische bagage verder uitbouwen en verdiepen, vooral in functie van zijn eigen specifieke artistieke traject, waarvan de Masterproef de opstap is.

 .

5.5. Onderzoeken en Kritisch reflecteren

Al vanaf 1BA word je in theorie-opdrachten gestimuleerd om een onderzoekende houding te ontwikkelen. Zo worden de teksten voor Scènes en Monologen analytisch voorbereid in Tekstanalyse via een checklist van onderzoeksvragen. In 1 en 2BA moet je voor Repertoire een persoonlijk onderzoek voeren naar een gelezen repertoiretekst. Tegelijk vinden wij het belangrijk dat je alle collectieve maar zeker ook individuele projecten als vormen van artistiek onderzoek beschouwt. Het zijn experimenten die vertrekken vanuit een bepaalde (onderzoeks)vraag. Die vraag gaat de methodiek van het repeteren mee bepalen en zich organisch ontwikkelen in de loop van het artistieke proces. Je ervaart dat kritisch reflecteren over het eigen proces (met medespelers, met docenten) inherent is aan spelen en maken; dat onderzoek inherent is aan de opleiding en aan het kunstenaarschap tout court. Om die reden betrekken we je ook bij de onderzoeksymposia die we organiseren.

In deze leerlijn staat ook het benoemen, het formuleren centraal. De opleiding traint deze vaardigheid niet alleen via theorievakken (terminologie) maar ook in de praktijkmodules, waar je aangezet wordt tot het benoemen van wat je doet en ziet. De speler/maker moet zijn artistieke aspiraties helder kunnen benoemen om tot een scherper inzicht te komen over zijn eigen werk en zo ook in contact te treden met medespelers en -makers. Het OPO Conceptontwikkeling en artistiek onderzoek (1BA) zet de toon. Een andere oefening wordt ondernomen in Daramturgie 1 en 2, waar in de vorm van leergesprekken concrete voorstellingen worden nabesproken en toegelicht door (een van) de makers.

In het opleidingsonderdeel Onderzoeksgerichte vorming (2BA) worden onderzoeksmethoden en -vaardigheden op een meer systematische wijze aangereikt. Je leert een onderzoeksvraag stellen en via bibliografisch onderzoek bronnen ontsluiten.

Wij willen dat je in staat bent om kritisch na te denken over je eigen biografie (je eigen achtergrond, jouw positie in het leven, jouw wereldbeeld) en hoe die zich verhoudt tot de ruimere maatschappelijke context. Dit lijkt ons een noodzakelijke voorwaarde om persoonlijke, actuele en relevante keuzes te maken qua vorm en standpunt in zijn praktijk. Om kunstenaar te worden zal je ook al in de Bachelorjaren een kritische en geëngageerde houding ontwikkelen vanuit een persoonlijke en maatschappelijke betrokkenheid. Het opleidingsonderdeel Drama en maatschappij ( en psyche) (1, 2 en 3BA) draagt daartoe bij. Het bestaat enerzijds uit lezingen, anderzijds uit voor -of nagesprekken bij voorstellingen (in het kader van De Stand der Dingen Een samenwerking tussen onze opleiding, 30CC/Schouwburg, KU Leuven en Braakland/ZheBilding.) Telkens is de relatie kunstenaar-maatschappij het uitgangspunt en word je uitgedaagd om een kritisch oordeel te vormen over maatschappelijke context en biografie. Daarbij wordt ook de link gelegd met het lopende onderzoeksproject van de opleiding.

In de Masteropleiding vormt de Masterproef het sluitstuk van de opleiding en tegelijk ook van de leerlijn Onderzoeken en kritisch reflecteren. Net zoals in 3BA worden de aansluitende OPO’s individueel gedoceerd.

 .

5.6. Ondernemen

Ondernemingszin heeft de afgelopen jaren duidelijk aan belang gewonnen. Binnen de opleiding, maar ook daarbuiten. Het volstaat niet om als speler/maker louter spel- en maakvaardigheden te ontwikkelen. Je moet ze ook zichtbaar maken voor de buitenwereld en jezelf ‘in de markt’ zetten. De eigentijdse kunstenaar is gebaat bij cultureel ondernemerschap. Bij dit alles is het onze overtuiging dat artisticiteit voorop moet staan. Het heeft geen zin om je op te leiden tot excellente netwerker als je geen inhoud kan benoemen en geen standpunt weet in te nemen. Slechts in tweede instantie gaat het om het aanleren van de nodige vaardigheden en de basiskennis van het ondernemen.

Op het eind van de Bachelor wordt van jou verwacht dat je eigen werk aan een publiek kan presenteren, met aandacht voor keuze van medium, tekst en context. Tevens is het een doelstelling dat je het eigen artistieke werk kan benoemen en hierover op een heldere manier kan communiceren, wat hand in hand gaat met de leerlijn Onderzoeken en Kritisch Reflecteren.

Je verwerft inzicht in de zakelijke, technische en productionele kant van de artistieke (theater)praktijk. Je bent ook in staat om verschillende samenwerkingsverbanden aan te gaan en de inhoud en constructie ervan te benoemen. De technische kennis wordt je bijgebracht in het OPO Podiumtechnieken, dat aanvankelijk uit een aantal collectieve theoretische lessen bestaat. Daarna word je via individuele leergesprekken intensief begeleid in het uitbouwen van techniek voor de speel- en maakmodules. Zo leer je bv. een lichtorgel te bedienen, hoe de geluidsinstallatie van de theaterzaal werkt etc.

Een essentieel opleidingsonderdeel voor de leerlijn Ondernemen is Management podiumkunsten (3BA). Het is van groot belang dat je al in de Bachelor inzicht verwerft in een aantal management- en ondernemersvaardigheden, zodat je goed beslagen het Masterjaar in kan. Onder meer de volgende vakinhouden komen aan bod:

  • de organisatie van de theaterwereld
  • het statuut van de kunstenaar
  • auteursrecht en naburige rechten 
marketing en promotie

In de Bachelorproef implementeert de student al deze aspecten en zet hij een eerste stap in het presenteren van eigen werk aan een publiek.

Op het Masterniveau zet je de vaardigheden die je hebt ontwikkeld om in de praktijk. Hier gelden verwante doelstellingen, maar op een hoger en autonomer plan. Ook hier ben je als Masterstudent de motor van je eigen werk. Met jouw stage en Masterproef zet je de actieve eerste stap in het werkveld waarop de Bachelor hem heeft voorbereid.

Het OPO Stage speelt een belangrijke rol als praktijktoets in het zelfstandig ondernemen. De opleiding brengt je op de hoogte van eventuele stageplekken en audities. Je wordt echter verondersteld zélf actief stappen te zetten.


Print pagePDF page