logo

Profiel

Profiel Master in het Drama


In het masterjaar ligt de klemtoon op je individuele artistieke parcours. Door middel van een masterproef toon je dat je een beginnend kunstenaar bent (eigenzinnig, authentiek en vakbekwaam) en dat je in staat bent om een artistiek onderzoek op te zetten. In wat voor eindproduct je dat zal tonen, ligt vooraf niet vast. Je bakent in samenspraak met het docententeam het gebied af dat je verder wil exploreren. Dat kan een specifiek deelaspect of een specifieke combinatie zijn van spelen en maken. Je komt tot een onderzoeksvraag die je artistieke zoektocht stuurt en die zal uitmonden in een voorstelling. Je zet ook een reflectieve voorstudie op, die zal uitmonden in een scriptie.

Daarnaast doe je in het masterjaar een professionele stage in het werkveld. Een collectief spelproject zorgt verder voor de spelcontinuïteit. Enkele reflectieve en theoretische vakken vergroten verder je referentiekader. Door middel van keuzevakken kan je specifieke vaardigheden en/of kennis verwerven die je nodig hebt voor je masterproef.

 

Verdere info bij de masterproef


1. Concept

In het masterjaar ligt de klemtoon helemaal op het persoonlijke artistieke parcours en profiel van de student, onderbouwd door artistiek onderzoek. Door persoonlijke begeleiding (enerzijds van de artistieke coördinator die de verkennende gesprekken voert en gedurende het hele traject de kwaliteit bewaakt, anderzijds van de interne of externe coach docent die wordt geëngageerd om het artistieke en reflectieve luik te begeleiden naar de masterproef toe) krijgt de student de kans de eigen specifieke sterktes te onderzoeken, aan te boren en verder te ontwikkelen.

Bij het afstuderen in het masterjaar wordt er dan ook niet zozeer een afsluitende ‘proeve van bekwaamheid’ georganiseerd, dan wel een opening gemaakt naar het eigen specifieke kunnen. Studenten studeren af met een project dat hen helpt hun eigen toekomstige parcours te ontwikkelen via een onderzoek in het deeldomein van hun keuze. Het afstudeerproject is in dat opzicht geen eindpunt, maar een nieuw begin waaraan de opleiding haar bijdrage wil leveren.

Dit persoonlijk parcours kan vele richtingen uit. Door te slagen voor de bachelorproef aan het eind van de bacheloropleiding heeft de student de basisdoelstellingen van de bacheloropleiding bereikt . In de masteropleiding wordt het dan mogelijk de eigen kwaliteiten optimaal te exploreren om zo tot een hoger artistiek niveau te komen. Tijdens de bachelor-basisopleiding hebben de studenten voldoende spel-, maak-en spreekcompetenties verworven. Ze zijn via de praktijkgerichte modules met allerlei deelvaardigheden van spelen-spreken-maken in aanraking gekomen. Sommige modules waren gericht op het exploreren van repertoiremateriaal, andere hebben hen laten werken met microfoon en camera; uiteenlopende modules hebben hen geïnitieerd in muziektheater, bewegingstheater, jeugdtheater en verteltheater, enkele modules waren gericht op het aanbrengen van verschillende speelstijlen, andere modules hebben hen gebracht tot het zelf schrijven van theatrale teksten, scenario’s en dies meer.

2. Proces

Bij het begin van het masterjaar (en eigenlijk ook al tijdens het tweede deel van het derde bachelorjaar, met name bij het uitstippelen van het stageplan) wordt de student uitgenodigd om na te gaan op welke van die deelvaardigheden van spelen-spreken-maken hij verder wil ingaan. Welke modules hebben hem in die mate geprikkeld en gestimuleerd dat hij honger heeft naar meer, welk terrein wil hij verder exploreren en onderzoeken omdat hij voelt dat daar zijn unieke, artistieke profiel ligt ? De artistieke coördinatoren, en in hoofdzaak de artistieke coördinator, die in deze als mentor voor de studenten fungeert, sturen en bevragen dit denkproces. Uit die gesprekken en uit het voorbereidend onderzoek van de student kristalliseert zich een ideaal afstudeerproject. Dit project wordt in eerste instantie door de artistieke coördinator ontvankelijk verklaard op basis van de volgende criteria:

  • Bouwt het afstudeerproject verder op de hogerbeschreven spel-, maak- of spreekcompetenties van de bacheloropleiding ?
  • Is het project geschikt, interessant en haalbaar voor de student in kwestie . Helpt het hem zijn eigen artistieke profiel te ontwikkelen en zo steviger voorbereid het werkveld in te stappen ? Is het project realiseerbaar binnen één academiejaar?
  • Is het een interessant onderzoeksterrein dat relevant is in het huidige podium -en/of medialandschap?
  • Kan binnen of buiten het team van docenten een professionele speler-spreker-maker gevonden worden die de student zowel in het artistieke als het reflectieve luik van de masterproef kan begeleiden en die dus de functie van coach kan opnemen?

Nadat de artistieke coördinator het masterproefproject ontvankelijk heeft verklaard, wordt het in een overlegvergadering voorgelegd aan het team van docenten. Zij kunnen becommentariëren, bijsturen, bevragen. Inzake de keuze van de coach wordt de knoop doorgehakt. Indien het om een externe begeleider gaat, wordt contact genomen, overleg gepleegd, een contract gesloten.

Dit docentenoverleg inzake de masterproef wordt in de loop van het academiejaar tweemaal herhaald: de studenten zullen dan zelf aan het team van docenten hun project moeten toelichten en verslag doen van de reeds afgelegde en nog te bewandelen weg. Dit soort overleg verhoogt de betrokkenheid van het hele team bij de masterproeven, zorgt dat er een ruime uitwisseling en bevruchting van ideeën is (voor zowel het artistieke als het reflectieve luik) en geeft de student het vertrouwen dat het team achter zijn project staat. Het is natuurlijk in de eerste plaats aan de student zelf om zijn masterproefproject tot een goed einde te brengen. Dit hele proces wordt door de artistieke coördinator verder opgevolgd, hij blijft de rol van mentor spelen, bij wie de student met vragen en problemen terechtkan en die tegelijk contact houdt met de coach.

3. Twee delen

De masterproef zal bestaan uit twee delen. Enerzijds de scriptie, anderzijds de eindvoorstelling. De scriptie is het reflectieve luik van het onderzoek, de theoretische opstap naar en onderbouw voor de eindpresentatie, de voorstudie zeg maar. De eindvoorstelling is het artistieke sluitstuk van de scriptie . Wat de student onderzocht heeft, gaat hij in de praktijk uitproberen. Het onderzoek en de artistieke prestatie staan dus in verband met elkaar. De studieomvang bedraagt 30 studiepunten. De verdeling is als volgt: 10 studiepunten voor het reflectieve luik, 20 studiepunten voor het artistieke luik.

a. De scriptie/het reflectieve luik
De scriptie wint steeds meer aan belang sinds ook in het Lemmensinstituut, zoals in alle Vlaamse hogescholen, de academisering zijn intrede doet. De opleiding Drama wenst echter niet in het steriele ‘onderzoek om het onderzoek’ te belanden. Het onderzoek moet in de eerste plaats een artistieke relevantie hebben. Het onderzoek biedt de student de kans zich te verdiepen in het gekozen domein. De scriptie wordt gelezen en beoordeeld door docenten van het Lemmensinstituut (de mentor/artistieke coördinator, de algemene coördinator en één ander lid van het praktijkteam) en -zo mogelijk- door een extern jurylid. De student verdedigt zijn scriptie voor de lectoren.

Bij het schrijven van de scriptie wordt de student op inhoudelijk vlak begeleid door de coach en de artistieke coördinator (de mentor). Zij stimuleren de student via (lectuur)advies over het vakdomein om zijn blik op het onderzoeksdomein te verruimen en verdiepen. Zij wijzen m.a.w. de student de weg naar de belangrijke bronnen en helpen hem die bronnen kritisch te verwerken.
Op vormelijk vlak wordt de student begeleid door de algemene coördinator en de docent theatergeschiedenis. Zij lezen en becommentariëren de eerste versies. Zij kijken na of de bronnen op een juiste manier worden weergegeven, of de structuur van de scriptie helder is en of de taal vlot en correct is.

b. De voorstelling/ Het artistieke luik
Meestal gaat het over een opvoering, of uitvoering van het werk in aanwezigheid van docenten, juryleden, mede-studenten en familieleden, sympathisanten, mensen van het ‘métier’. De eindvoorstellingen waren in het verleden in de meeste gevallen zuiver theatergeörienteerd; veelal monologen, bestaande teksten of creaties. Nu en dan een project van twee mensen samen. Bij uitzondering een conceptueel project of een eenmalige act aanleunend bij performance. Door de nieuwe oriëntatie in de masterproef is er nu meer ruimte voor verscheidenheid in de eindvoorstellingen (gaande van spel-, tot spreek- en maakprojecten). Het docententeam garandeert door het initieel goedkeuren van het masterproefproject van de student (zie boven) dat de masterproef in voldoende mate aansluit bij de basiscompetenties van spelen-spreken-maken. De externe jury zal beoordelen in hoeverre de masterproef een voldoende artistiek, professioneel en academisch niveau haalt. De eindvoorstellingen zijn tot nu toe meestal eenmalig uitgevoerd, al zijn ze zo niet geconcipieerd. Enkele eindwerken hebben dan ook, zij het op eigen kracht, hun weg gevonden naar het reguliere theatercircuit.

De jury is een combinatie van internen (praktijkdocenten van de school) en externen. Enerzijds zijn er de externe of interne coaches (die de studenten bij hun masterproef hebben begeleid); anderzijds zijn er externe juryleden uit het werkveld die door de coördinatoren worden aangezocht. Alleen de artistieke coördinatoren, de specifieke coaches en de externe juryleden zijn stem -en quoteringsgerechtigd.

Voor elk specifiek deeldomein (b.v. performance, muziektheater, jeugdtheater) dat door de masterproeven van een bepaald academiejaar bestreken wordt, zoeken de coördinatoren een gezaghebbend, extern jurylid. Op die manier wordt gegarandeerd dat de student op dat specifieke domein in zijn masterproef professioneel wordt beoordeeld. Is er bv. een jeugdtheatervoorstelling opgezet als eindwerk, zal er een jurylid uit het jeugdtheater verzocht worden om te komen evalueren. Daarnaast moet er ook minstens één jurylid aanwezig zijn die in een kunstencentrum of artistieke werkplaats werkt en vertrouwd is met het artistieke proces van jonge makers. Hij moet in staat zijn het algemene artistieke niveau van de student te beoordelen, los van dat specifieke deeldomein.

 


Print pagePDF page
Visit Us On FacebookVisit Us On InstagramVisit Us On YoutubeVisit Us On Twitter